top of page

7 schrijftechnieken die ik leerde:

Show, don’t tell

 

Dit is de belangrijkste verandering in mijn schrijfstijl geweest:

Toon wat iemand voelt, leg het niet uit.
Dat is een intense oefening. We hebben dit nooit ergens geleerd.

In het begin schreef ik wat ik dacht.
Nu schrijf ik wat de lezer ziet.

​

Wees de camera, niet de reporter.

Schrijf niet: de hond is bang.
Schrijf hoe je merkt dat de hond bang is:
Hij trekt zijn staart tussen zijn benen, hij blaft, hij grolt, hij gaat tussen de benen van zijn baasje staan.

​

Schrijf in scènes (B → C plotting)

Laat het gebeuren als een film.

Dat heet B → C plotting.
Laat het oninteressante A → B weg.
Laat ook het overduidelijke C → D weg.

De lezer heeft daar geen behoefte aan.

​

Gebruik sterke werkwoorden

Kies krachtige, actieve woorden.

Schrijf niet: hij rende heel snel weg.
Schrijf: hij sprintte.

​​​

Minder bijvoeglijke naamwoorden

Steven King zegt daarover:
“If you see an adjective, shoot it.”

Op school hebben we geleerd om er zoveel mogelijk te gebruiken, maar dat hoeft niet.
Ik heb geprobeerd om dat net niet te doen.

​​​

Dialoog​

Laat personages spreken.

Wat iemand zegt — en hoe — zegt meer dan uitleg.

Als iemand vaak vloekt of over seks praat, zegt dat veel over die persoon.
Welke woorden hij gebruikt, vertelt nog meer.

Ik heb geprobeerd dat zo eerlijk en nauwkeurig mogelijk weer te geven.

​

Zintuigen gebruiken

Laat de lezer zien, horen en voelen.

Wat ruikt een personage in een paardenstal?
Hoe voelt een hoefijzer aan?

Daar begint beleving.

​

Schrijven is schrappen & geen overbodige backstory

Laat weg wat niet nodig is.

Geen overbodige uitweidingen.
Niet te veel uitleg over het verleden.

Dat is een zeer moeilijke oefening.

Wat is nodig en wat niet? Je kan daar heel extreem in zijn.

Ik heb nog ruimte gelaten om mij als personage wat context te geven.

​

​

​

bottom of page