top of page

Om de lezer een idee te geven van de schrijfstijl is hier een voorbeeld van een stukje van het eerste hoofdstuk.

​

1 De afwijzing

‘Jij wordt nooit hoefsmid’, zei een instructeur op de hoefsmidschool tegen me. Die zin woog zwaarder dan het hoefijzer dat ik hem net voor goedkeuring had aangereikt. Hij gaf het me terug. Het ijzer leek plots verroest. Net zoals mijn droom. Ik keek naar zijn schoenen. Ze vormden een V onder een afdak van vlees. Zijn buik stak zo ver vooruit dat hij bijna op het aambeeld rustte. Zijn gezicht deed me denken aan Napoleon Bonaparte, maar dan als een roze marshmallow. Ik schaamde me. Scheve nagelgaten en verbrande randen. Het hoefijzer sprak, de instructeur vertaalde.

​

Hij schoof het werkstuk van een andere student naar voren op het aambeeld. We keken er allebei naar. Hij tikte aan beide kanten – het hoefijzer bleef liggen. ‘Als je je werk komt tonen, maak het dan tenminste vlak.’ Toen hurkte hij. Zijn knieën konden het gewicht houden. Er was te veel lawaai rond ons om ze te horen kraken. Zijn ogen stonden op dezelfde hoogte als het werkvlak van het aambeeld. ‘Je mag geen lucht zien tussen je werkstuk en het aambeeld.’ Ik bukte ook en mijn hoofd hing naast het zijne. Door de spleet onder mijn hoefijzer zag ik het kruis van een andere instructeur. ‘Niet goed’, zei ik. De man greep het aambeeld met beide handen en hees zichzelf weer omhoog. Sterk, dacht ik. Ik zette wel een stap achteruit voor het geval het aambeeld of hij zou vallen. ‘Jij staat daar altijd in je hoekje te draaien’, gooide hij er nog achteraan.

Daarna wandelde hij weg. Hij tikte tegen elk aambeeld dat hij passeerde. Toen bleef hij praten met de collega die ik zojuist door het spleetje had gezien. Ik keek naar mijn hoefijzer op het koude oppervlak en tikte ook aan één kant. Het kwam drie centimeter omhoog aan de andere zijde. Veel studenten toonden elkaar hun hoefijzers, wisselden een paar woorden en doken dan weer grijnzend hun vuur in. Ik koos intussen voor het gezelschap van het eenzaamste aambeeld van de smidse, achter in het hoekje. De opmerking van de instructeur was terecht, maar het voelde alsof je iemand met puisten eraan herinnert dat hij puisten heeft; niemand wordt daar beter van.

​

Ik was niet de enige die zich verstopte in de smidse. Er stond nog iemand bij mij in de hoek te draaien. Hij moest minstens zo oud zijn als de diepvriezers waarin de kadaverhoeven werden bewaard. Zijn gezicht hing in plooien, als een ballon die een week na het verjaardagsfeest wordt doorgestoken. ‘Bah, die stinkt’, had ik iemand horen zeggen. Die stinkerd noemde zichzelf Dionysus, dat wist ik van anderen. Ik heb zijn naam nooit uitgesproken. Een buitenbeentje zoekt een buitenbeentje. Als ik hem zag, zakten mijn schouders en schoof ik tot bij hem. In onze hoek hoefde ik niet te kijken hoe goed anderen konden smeden. Dionysus pronkte niet. Hij hield van smeden. We wisselden alleen ’s morgens enkele woorden bij het aanmaken van het vuur:
‘Hier is nog papier.’
‘Heb je nog papier nodig?’

Verder kwam onze conversatie niet. Zijn hoofd waggelde heel de tijd van links naar rechts. Hij maakte ook volzinnen, maar ik heb nooit gehoord waarover. Misschien is daar een prachtig boek aan verloren gegaan. Die afvallige stinkerd was al klaar met de hele collectie hoefijzers die de studenten moesten maken. Hij droeg altijd dezelfde trui, met dikke horizontale strepen in blauw en donkerblauw. De mouwen waren ter hoogte van zijn onderarmen half weggebrand door de gensters die uit het vuur sprongen. Zijn vingernagels waren net zo zwart als zijn handen. Soms pakte hij mijn tang over, gaf een paar tikken op mijn hoefijzer en schoof het terug in het vuur. Daarna stak ik mijn hoefijzer ook even in de lucht voor een nauwkeurige inspectie. ‘Veel beter’, zei ik dan. Ik heb nooit ontdekt dat hij harder stonk dan anderen.

bottom of page